Gebruik van taal in de schaaklessen

Kinderen leren op heel verschillende manieren. Sommige kinderen zijn heel gevoelig voor beelden. Andere kinderen zijn gevoeliger voor woorden. In onze lessen en in het werkboek bieden we beide vormen aan. Het combineren van beide vormen zorgt ervoor dat de kennis bij de kinderen beter blijft hangen.

Het gebruik van taal door de trainer

Bij diverse onderwerpen vragen we de trainer consequent bepaalde begrippen te gebruiken en die begrippen ook veelvuldig te herhalen. En dan niet alleen bij de instructie, maar ook bij het geven van feedback op opgaven en bij spelletjes.

Zo introduceert les 4 het begrip veilig. Lessen 5 en 6 herhalen en verdiepen dat begrip. Maar het is niet zo dat in latere lessen ‘veilige zetten doen’, geen rol zou spelen. Dus stel vragen elke keer als een kind een onveilige zet speelt, en gebruik daarbij steeds opnieuw het begrip veilig. Geef ook een compliment als het kind veilig zetten doet. “Was dat een veilige zet? Welke zet is wel veilig? Staat het stuk veilig op dat veld? Goed gespeeld; het stuk staat daar veilig.”

Ook gebruiken we bij bepaalde onderwerpen kleine checklijstjes. Bij verdedigen tegen schaak (lessen 11 en 12) bijvoorbeeld:

  1. Slaan
  2. Tussenplaatsen
  3. Weggaan

Elke keer als een kind schaak staat, vraag je het kind om deze 3 mogelijkheden langs te lopen. We adviseren om het ook consequent in deze volgorde te doen.

Het werkboek ondersteunt het gebruik van deze checklijstjes. In les 11 en bij opdracht 2 van les 12 staat het lijstje als geheugensteun. Bij opdrachten 3 en 4 van les 12 moeten de kinderen het lijstje zelf opschrijven. En bij diverse opdrachten in deze lessen moeten de kinderen zelf aangeven welke vorm van verdedigen ze hebben gekozen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Het gebruik van taal door het kind

Uit onderzoek blijkt dat het uitleggen van kennis aan een ander het grootste leereffect geeft. Dit stimuleren we in de lessen op verschillende manieren.

  • We vragen de kinderen om dezelfde begrippen te gebruiken als de trainer. Vraag de kinderen in een specifieke stelling ook consequent naar het relevante checklijstje. Dus bij schaak naar de 3 manieren van verdedigen tegen schaak. Bij schaakmat naar de 4 punten waarmee je kunt controleren of het ook echt schaakmat is. In het werkboek moeten de kinderen op diverse plekken zelf deze checklijstjes aanvullen.
  • We gebruiken regelmatig werkvormen waarbij de kinderen in tweetallen met elkaar moeten overleggen. Dat dwingt ze om hun gedachten over een stelling in eigen woorden uit te drukken. En als een kind moeite heeft met een opgave: vraag eens aan de andere kinderen om te helpen zonder dat ze de oplossing mogen geven.
  • Stel als trainer voortdurend vragen over een opgave of schaakstelling en laat de kinderen zelf het antwoord formuleren. Hier leren de kinderen meer van dan wanneer je direct de goede oplossing geeft.

> Lees ook: Het werkboek bevat niet alleen beelden (diagrammen), maar ook taal

 

Boekenlegger op de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *